Het sprookje van de leeuw en de man

Het is me nooit helemaal duidelijk geweest of het nu een parabel, dan wel een fabel of toch beter een allegorie moest voorstellen. Toch blijft de actualiteit een wonderlijke wereld van menselijke achteruitgang. Als dat te pessimistisch klonk, is de weg van de subtiliteit en de melancholische kinderlijkheid nog steeds de beste remedie. Daarom presenteer ik voor u: het sprookje van De Man en de Leeuw. Of iets anders.

JASPER SNOEYS

Er was eens een Man, die zich door zijn Apostelen liever De Man liet noemen. Hij leefde in een klein, maar dapper stukje grond waar de Noordelijke Zee regelmatig een Tochtgat creëerde. De echo’s van verscheidene lingua’s baanden zich een weg doorheen het vlakke land. De Man leefde allerminst een zonderling bestaan. Hij schuwde de aandacht niet, integendeel. Mocht de aandacht een vrouw zijn, hij zou ermee trouwen. Helaas bleek de aandacht mannelijk te zijn en de Man, die zich door zijn Apostelen liever De Man liet noemen – en door sommigen zelfs Dé Man, had het niet voor mannelijke aandacht. Hij sleet z’n dagen voornamelijk door alcoholgerelateerde dranken te zuipen, naar racewagens te staren en te kicken op de blauwe kleur.

Elke week hield De Man een audiëntie met de Leeuw. Dan hielden ze een knuffelkwartiertje en vertelden ze over hun wekelijkse inkopen terwijl ze rosé wijn degusteerden. De Leeuw was het opperhoofd van de Leeuwenpartij en droomde van een groot Leeuwenrijk dat alle Onderleeuwen zou verbinden en waarvan Leeuw de Keizer zou worden. Hij bereidde zich alreeds goed voor op die taak, binnen het Tochtgat waande hij zich namelijk al als keizer. Zo beheerste hij alle tocht die zich doorheen het vlakke land kronkelde en zoog hij het zelfs regelmatig vacuüm. De Leeuw zou het liefst van al later reïncarneren in een panda. Judit kon het niet steeds dulden, wat de Leeuw allemaal deed en uitsprak, maar voorlopig liet ze het nog begaan.

Een Spiegel vertelde een intimus echter dat zij meer zichzelf tegenwerkten, maar De Man had het niet zo voor Spiegels, die zouden narcistisch zijn. Haha. Humor. Leuk

Op een zekere dag kwam De Man, na zijn audiëntie bij de Leeuw en tijdens zijn dagelijkse wandeling doorheen het Maria van Bourgondië-Park een vrouw tegen. Zijn ogen flakkerden op. Een vrouw. Een wondermooie vrouw dan nog wel. En ze hield ook van lingerie. Dit kon geen toeval meer zijn. De Man vroeg naar de naam van de vrouw, waarop ze repliceerde dat ze Mona L. heette. Ze bleek nogal gesteld op haar privacy. De Man was niet de enige die haar had aangesproken, ze had zo’n ondoorgrondelijke schoonheid dat er al een resem Anderen haar hadden aangestaard. Iedereen wilde haar leren kennen.

Niet veel later besloten De Man en Mona L. om samen te wonen. Terwijl Leeuw zich bezighield met de roddeltante te spelen, amuseerden de tortelduiven zich plechtig met het drinken van rosé wijn en gniffelden om de reacties van de Anderen wanneer Mona L. weer eens iets had gezegd. Daar konden de Anderen niet steeds om lachen. Nee zeg, ze voelden zich zelfs beledigd. In een vorig leven was Mona L. nog kuisvrouw geweest, waardoor ze zich eens liet ontvallen dat ze al het vuil moest ‘opkuisen’. Dolle pret, vonden De Man en Mona L. dat. Haha. Humor. Leuk. De Man vergat wel dat

het vuil Anderen betrof, medebewoners van Tochtgat en dat er meer vuiltjes in de lucht waren, dan aan die Anderen. Het kon De Man weinig schelen dat hij het lot van die Anderen droeg – die waren ook zo Anders, vond hij. Er was geen haar op zijn hoofd dat kon denken. Als trouwe gezant van Leeuw kon hij toch alles doen en zeggen. Hij waande zich onsterfelijk. Hij leerde Mona L. ook, samen met Leeuw, om alle Anderen met haar kastanjebruine ogen te volgen. Zo kon ze veel informatie verschaffen over de Anderen en deze doorgeven aan De Man en Leeuw. Hun Leeuwenrijk lag dan niet meer veraf. Judit stelde zich vragen bij de impulsieve retoriek van Mona L. en de positie van De Man, maar liet het begaan.

Leeuw en De Man waren een onafscheidelijk duo, die hand in hand door het Tochtgat liepen. Op een gegeven moment besloten ze tot een veldtocht. Met twee gingen ze, paard, kar en skild in de hand, door het ganse land. Dat vonden ze wel een leutige uitspraak. Ze lachten erom. Luidkeels en met opengesperde mond. Leeuw moest zodanig hard lachen, dat zijn lip openscheurde. Sindsdien vertoonde de lip een trek naar de linkerbovenhoek. Daarna staken ze hele dorpen in brand, hakten de handen van de plaatselijke bevolking af en begonnen er spontaan mee naar het noorden te werpen. En dat terwijl ze de Leeuwenvlag hoog de lucht in hesen, het Leeuwenlied zongen en dansten rond de vierkante millimeter waar ooit de minuscule Voetnootslag had plaatsgevonden. Zo hadden Leeuw en De Man al snel een semi-Leeuwenrijk opgericht waar Leeuw keizer was en de Leeuwenpartij koning. Al was dat buiten Tochtgat gerekend.

Leeuw en De Man waanden zich zo hoog, dat ze pretendeerden de zon te kunnen aanraken. Ze achtten zichzelf onschendbaar en onaantastbaar en werden geil van macht en aandacht. Elke voorbeeldige Onderleeuw knikte ‘ja’ wanneer ze iets zeiden. Was dit niet zo, behoorden ze tot de vulgaire Maffia der Anderen. Deze maffia was een driekoppig monster, met desondanks een massa aan zwijgzame volgelingen. Niemand wilde zijn dorp in vlammen zien opgaan en zijn handen verliezen. Je moest er tenslotte je stem mee uitdelen. Toch kregen ze elke keer de schuld van het falen. Ze werkten de uitbouw van het Leeuwenrijk tegen. Ze werkten De Man en Leeuw tegen. Een Spiegel vertelde een intimus echter dat zij meer zichzelf tegenwerkten, maar De Man had het niet zo voor Spiegels, die zouden narcistisch zijn. Haha. Humor. Leuk. Wie dicht bij de zon staat, verbrandt zich sneller. Judit had er stilaan genoeg van. Ze nam een zwaard en hakte het hoofd eraf. Van De Man en Leeuw.

En ze leefde nog lang en gelukkig.

Geef een reactie