Jeudigheid. Eeuwigheid. De dood. Verdriet.

“Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rave at close of day; Rage, rage against the dying of the light.”

SEM VAN EYCK

De dichter Dylan Thomas schreef dit gedicht in 1947 te Firenze, toen zijn vaders dood naderde. Drie regels die veel emotie veroorzaken, misschien eerder bij personen die aan de herfstdagen van het leven begonnen zijn. Ook mij kan het ontroeren. Het is een protest tegen de dood, een protest tegen een nakend, misschien oneindig, afscheid. Het is een oproep gericht tot naasten om zolang mogelijk bij ons te blijven. Dit koesteren van dierbaren komt vaak pas in de nabijheid van de dood opzetten. 22 jaar en onsterfelijk. Of zo voelt het toch:

This thing all things devours: Birds, beasts, trees, flowers; Gnaws iron, bites steel;
Grinds hard stones to meal; Slays king, ruins town,
And beats high mountain down.

Helaas maakt tijd voor niemand een uitzondering. Enkel een aantal jeugdige jaren onder de gordel, Thomas beschrijft mijn gevoelens bijna volkomen omtrent het sterven: Een angstig verzet tegen de gedachte van het eindige,

“Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rave at close of day; Rage, rage against the dying of the light.”

onmogelijk hierin te slagen, onmogelijk het te laten rusten. De dood maakt plaats voor nieuw leven, zonder verdriet, geen vreugde. Maar niet mijn verdriet. Menselijk egoïsme ten top. Ik kan niet zeggen of deze angst de hindernis of de drijfveer van het leven is, wellicht allebei. Het is alleszins een teken van levenslust. Een dubbele zaak, enerzijds die fonkeling dat doorheen het leven zo gekoesterd wordt, willen behouden en anderzijds me van de angst willen ontdoen. Beiden lijken voor mij niet mogelijk. Die fonkeling, hoop ik uiteindelijk te verliezen. Helpt de praktijk van herinnering ook de stervende, of enkel de nabestaanden? Laat het eveneens een troostende gedachte zijn voor zij die de schaduw van de dood al hebben gezien. En laat het een hoopvolle, bemoedigende gedachte zijn voor zij wiens levensloop nog in te vullen is. Dat Thomas geen rust vond in de dood, is duidelijk. Of zijn vader dit gevoel deelde, geen idee. Ik hoop van niet, oprecht. Two down, two to go.

(Om toch luchtig te eindigen: wie mij als eerste kan zeggen van wie het raadsel is, krijgt een pintje in de fak.)

Geef een reactie