Op liefde staat geen grens

Proloog: 18 mei, 1848


“Waarom zijn er zoveel mensen in de straten?”
Johannes kneep zijn ogen tot spleetjes, tegen de felle zonnestralen die in zijn ogen schenen. Hij hield
de hand van zijn moeder vast. Ze kwamen net terug van de markt, waar ze inkopen hadden gedaan
voor de komende week. “Politiek, lieverd. Maak je er maar geen zorgen om”, antwoordde zijn moeder.
Maar Johannes wilde meer weten: “Wat is dat, politiek?” Hij hoorde het gejoel van de menigte luider
worden en vermoedde dat ze bij de plaats waren aangekomen, waar het te gebeuren stond. “Politiek
zijn de mensen die beslissingen maken over ons land. Ze dragen mooie kostuums en bepalen hoe ons
leven eruit ziet.” Johannes antwoordde: “Maar waarom roepen ze dan zo? Zijn ze boos op onze baas?”
Zijn moeder schudde haar hoofd. “Nee,” zei ze, “er is een groep mensen gekozen in de verkiezingen.
Die gaan vandaag hier vergaderen, in de Paulskirche, over een nieuwe grondwet.”
Johannes brandde van nieuwsgierigheid en stelde nog een vraag: “En wat is…”, maar zijn moeder
onderbrak hem. “Je hebt al genoeg vragen gesteld voor een jongen van acht jaar. Later zal je het wel
snappen, maar nu gaan we naar huis,” zei ze terwijl ze haar pas versnelde. Johannes werd half
meegetrokken, maar keek met bewondering achterom naar de mannen in hun zwarte, blauwe en
bruine pakken. Een nieuwe grondwet, dacht hij, dat klinkt wel belangrijk.
Die nacht droomde Johannes van mannen die in de Paulskirche zaten en met elkaar praatten over het
land, wat dat ook mocht zijn. Het enige wat hij kende, waren de straten van Frankfurt en de brug over
de Main. Was er dan nog meer te zien?


Proloog: 2 april, 1849


“Hé Johannes, wat vind jij van…”
Johannes luisterde niet naar wat hem gezegd werd. Hij zat diep verzonken in gedachten, wat het
afgelopen jaar wel vaker zo was. Soms droomde hij terug over de mannen die vergaderden in de kerk,
maar hij las ook stiekem in de krant wat er gaande was. Hij begreep niet alle woorden die er stonden,
maar de boodschap was wel duidelijk. Samen met de toevallige woorden en flarden gesprekken die hij
her en der opgevangen had, snapte Johannes de situatie nu al beter. Het Frankfurterparlement, want
zo noemde de volksvergadering zichzelf, was verkozen geweest door mannen van over de hele Duitse
Bond. Het parlement was bezig met een grondwet op te stellen en maakte ook andere beslissingen.
En recent was…
“Au, waarom deed je dat?!” riep Johannes. “Je luisterde niet meer naar wat ik te zeggen had. Waar
zat je met die kop van jou?” vroeg Hans. Hans was een jongen die in dezelfde straat als Johannes
woonde en hij was zijn beste vriend. Hij had helblauwe ogen en dik, zwart haar. “Zat je weer te denken
aan die mannen met hun pakken?” Hans was zelf niet zo goed op de hoogte als Johannes en het
interesseerde hem ook niet. Hij speelde liever in de straten en pleinen met de andere kinderen.
“De Pruisische koning Frederik Willem IV weigert de keizerskroon voor een Duitse eenheidsstaat!” riep
een man die net zijn krant gekocht had. Enkele voorbijgangers reageerden verbaasd, andere eerder
opgelucht. Het nieuws liet Hans eerder onverschillig: hij woonde toch in Frankfurt, wat had hij nu te
maken met die Frederik Willem? Johannes reageerde echter verbaasd. Een paar dagen geleden had
het parlement eindelijk een grondwet aangenomen en de keizerskroon aangeboden aan de vorst.
Johannes snapte het niet: hij zou zelf heel graag keizer zijn als iemand het hem vroeg.
Hij liep naar de man met de krant en vroeg hem waarom Frederik Willem de keizerskroon geweigerd
had. De man lachte even dat een kleine jongen hem deze vraag stelde, maar antwoordde toch: “Wel
jongetje, dat is politiek. Het parlement wilde een eenheidsstaat maken zonder die Oostenrijkers, maar
dat vonden zij niet zo leuk. Frederik Willem heeft waarschijnlijk schrik om in een oorlog terecht te
komen. Maar zeg, wat interesseert jou dat nu? Moet jij niet gaan spelen met je vriendje daar?”
Johannes knikte snel, liep terug naar Hans en samen gingen ze naar hun straat. Hans vertelde iets over
een muis in zijn kamer, maar Johannes zat aan andere dingen te denken.


Proloog: 7 juli, 1854


“Johannes, wil je een kop thee komen drinken?”
Hij draaide zijn hoofd om en keek haar aan. Hij kende het meisje, ze woonde naast de schoenmaker.
Soms zeiden ze iets tegen elkaar, als zijn moeder binnen was voor een reparatie. Het meisje droeg een
groene jurk, die mooi bij haar groene ogen paste. Hij vond haar wel aardig en had ook wel dorst, dus
ging hij in op haar aanbod. “Ja, heel graag!” antwoordde hij. Hij volgde haar naar binnen en ging zitten
op de stoel die ze hem aanwees. Ze verdween naar een andere kamer en kwam even later terug met
twee kopjes in haar hand. “Zo, het is wel mooi weer hé?” vroeg ze. Johannes knikte en antwoordde:
“Ja, het is een mooie zomerdag.” Het was even stil, totdat de waterketel kookte. “Tijd voor thee!” zei
ze en ze sprong soepel op uit haar stoel. Waarom heeft ze me eigenlijk gevraagd om thee te komen
drinken? Zo goed kennen we elkaar niet, dacht Johannes. Misschien…
Ze zette de theepot op de tafel en ging zitten. Ze schonk eerst Johannes en dan zichzelf een kopje in.
“Pas op, het is nog heet”, waarschuwde ze hem met een glimlach. Johannes lachte terug naar haar en
zei: “Dankjewel om me uit te nodigen, ik vind het heel aardig. Maar euhm, hoe heet je eigenlijk?” Het
meisje lachte liefdevol naar hem, met een schittering in haar groene ogen. Ze antwoordde: “Dat vertel
ik je nog wel, maar drink eerst je thee op.”


10 jaar later: 4 november, 1864


“Schat, ik ben het!”
Johannes trok de deur achter zich dicht en liep het huis binnen. Mijn eigen huis, dacht hij. Hij woonde
hier nu al bijna een half jaar. In het begin was het nog wennen aan de nieuwe muren en meubels. Hij
miste zijn ouderlijk huis wel eens, maar over het algemeen was hij best tevreden met zijn nieuwe thuis.
Hij woonde er dan ook niet alleen.
“Dag Johannes, ben je nu al terug?” vroeg ze. Zijn vrouw, Selina. Ze was slank gebouwd en had golvend
bruin haar dat tot over haar schouders viel. Ze was kleiner dan hij, dus Johannes bukte zich een beetje
toen hij haar een kus gaf. “Ja, ik was even iets gaan halen”, zei hij en voelde in zijn jaszak. “Sluit je ogen
eens.” Johannes ging achter Selina staan, haalde de halsketting uit zijn zak en hield deze voor haar hals.
“Doe je haar even omhoog”, zei hij en maakte dan de ketting vast bij haar nek. Hij legde zijn handen
op haar buik en fluisterde in haar oor: “Open je ogen maar, schat. Fijne trouwdag.” Hij voelde dat Selina
zich even draaide naar een spiegel. Haar groene ogen fonkelden toen ze naar hem keken. “Dankjewel,
ik vind de ketting heel mooi,” zei ze met een glimlach op haar gezicht. Ze draaide zich om en kuste
Johannes terug.

“Trouwens, heb je het nieuws al gehoord?” vroeg Johannes haar. “Nee, wat is er dan gebeurd?” vroeg
ze hem. Er stond een grote frons op haar voorhoofd. “Er is een vredesverdrag getekend tussen
Denemarken, Oostenrijk en Pruisen. Ze hebben beslist dat de Duitse bond voortaan het bestuur heeft
over Sleeswijk-Holstein.” Selina zuchtte duidelijk opgelucht. “Het werd eens tijd, ik vind al dat oorlog
voeren maar niets.” Johannes knikte. “Geen zorgen, het was toch een conflict van ver weg. Dit zal geen
gevolgen hebben voor ons hoor”, en hij kuste haar nogmaals. “Als jij het zegt,” zei ze met een knipoog.
“Johannes?” Er speelde een glimlach rond haar mondhoeken. “Ja, Selina, is er iets?” Haar glimlach
verbreedde toen ze hem antwoordde: “Ik ben voorbij mijn periode.”


14 juni, 1866


“En, hoe is het met de kleine?”
Johannes en Hans wandelden door de geplaveide straten van Frankfurt. Sinds dat ze beiden alleen
woonden, zagen ze elkaar minder dan in hun jeugdjaren. Ze woonden dan ook niet meer in dezelfde
straat, maar ieder in een ander stadsdeel. Desondanks waren ze nog altijd goede vrienden van elkaar.
“Met Thomas bedoel je? Alles gaat goed met hem. Hij kruipt met veel plezier rond in het huis en kan
al een beetje stappen als hij zich vasthoudt aan de kast of de tafel. Hij zegt ook al ‘mama’ en ‘papa’,
het is echt een lief kind.” Hans lachte zijn tanden bloot: “Ja dat kan dan ook niet anders, met zo’n toffe
peter.” Hij voegde er een dikke knipoog aan toe. Johannes lachte ook: “Daar heb je zeker gelijk in.
Wanneer kom je nog eens langs om hem te bezoeken?” Hans opende zijn mond om te antwoorden,
maar hij kreeg de kans niet om iets te zeggen. Hij werd onderbroken door een gejoel wat verderop, bij
een van de pleinen. Verrast zei hij: “Wat is er daar aan de hand?”
Enkele minuten later waren ze bij het plein aangekomen en hoorden ze wat er gaande was: “Pruisen
heeft de oorlog verklaard aan Oostenrijk! Er is een oorlog op komst!” Dit was enigszins verrassend voor
Johannes en Hans, hoewel dat de spanningen tussen de twee staten al langer aan het stijgen waren.
In de kranten en in de cafés was het een vast gespreksonderwerp geworden, maar toch had niemand
een oorlog verwacht. “Wat denk jij dat er nu gaat gebeuren?” vroeg Hans. “Geen idee,” antwoordde
Johannes, “dat is aan onze burgemeester om het te beslissen.” Hans knikte. “Ze zullen allebei
waarschijnlijk wel bondgenoten zoeken binnen de Duitse Bond. Ik hoop dat we Pruisen eens een lesje
kunnen leren. Ik vind die Bismarck maar niets.” Johannes mompelde iets, maar wist niet echt wat te
zeggen. Eigenlijk vind ik Bismarck nog niet zo slecht, dacht hij. Uiteindelijk antwoordde Johannes:
“Volgens mij wil hij Pruisen de nieuwe leider van de Duitse Bond maken. Waarom zou hij anders
Oostenrijk uitdagen?”


15 juni, 1866


“Goedemiddag Herr Fellner, hoe gaat het met u?”
Johannes had zonet op de deur geklopt en een bediende had hem binnengelaten. Zoals het hoorde,
wachtte hij in de inkomhal tot Fellner of diens vrouw hem kwam verwelkomen. Vandaag was het dus
Fellner zelf. “Met mij gaat het goed, bedankt. Hoe gaat het met u?” Johannes knikte even beleefd en
antwoordde: “Het gaat goed. Ik ben wel geschrokken van het nieuws dat Pruisen de oorlog verklaarde
aan Oostenrijk. Wat vindt u ervan, Herr Fellner?” Fellner ging hem ondertussen voor naar de
pianokamer in zijn ambtswoning. De gang had grote ramen die veel daglicht binnenlieten. Johannes
vond de ambtswoning van de burgemeester een mooi gebouw, al merkte je wel dat elke burgemeester
zijn eigen smaak probeerde binnen te brengen. Daardoor vloekten de meubels met het tapijt wel eens,
maar al bij al was het een fijne plek.

“Wel, er is besloten geweest dat Frankfurt de kant van de Oostenrijkse keizer zal kiezen. Wij blijven
trouw aan de leider van de Duitse Bond.” Johannes voelde de aderen in zijn nek samentrekken en zei:
“Wat?! Waarom bent u tegen Pruisen?” Maar toen hij zag dat Fellner hem verbaasd aankeek, voegde
hij er aan toe: “Ik bedoel, wat is de argumentatie? Ik respecteer natuurlijk uw keuze, Herr Fellner.”
Fellner mompelde even en antwoordde: “Zoals ik al zei, we blijven trouw aan de leider van de Duitse
Bond. En eerlijk gezegd, ben ik ook geen voorstander van de Pruisische kanselier Bismarck. Hij voert
iets in zijn schild.”
Even later kwamen ze aan in de pianokamer. De oudste zoon, Max, was ongeduldig op de pianostoel
aan het wiebelen. Toen hij hoorde dat Johannes en Fellner aankwamen, rechtte hij zijn rug en
glimlachte beleefd. “Dag Max,” zei Johannes, “ben je klaar voor een nieuwe les?” Max knikte. “Goed
dan, ik zal jullie alleen laten, opdat jullie les kunnen hebben”, zei Fellner. “Trouwens Johannes, ik heb
besloten dat jij, als muziekleraar, niet opgeroepen zal worden in deze oorlog. Ik hoop dat je dat geen
probleem vindt?” Johannes schudde zijn hoofd. “Nee, dat is zeker geen probleem”, zei hij en richtte
zich vervolgens tot Max en de piano. Gelukkig maar.


4 oktober, 1866


“Johannes, ik ben bang.”
Selina zat tegenover hem aan de tafel met Thomas op haar schoot. Hun kind lag te slapen en ademde
op een rustig tempo. Johannes reikte met zijn handen naar de hare en kneep er eens in. “Maak je geen
zorgen schat, het komt allemaal wel…”, probeerde hij haar gerust te stellen, maar ze onderbrak hem.
“Ik ben bang, Johannes. Eerst die militaire verovering door de Pruisische soldaten, daarna de zelfmoord
van Fellner en nu zijn we geannexeerd door Pruisen in een Noord-Duitse Bond. We zijn onze vrijheden
verloren. Wie weet wat ze allemaal met ons van plan zijn?” Haar stem brak bij die laatste woorden en
ze begon te huilen. “Hoe moet het met onze kleine Thomas? Je bent je werk verloren, hoe komen we
nu aan eten?” jammerde ze.
Johannes fronste even. “Ik vind wel ergens anders werk. Er komt wel een nieuw bestuur en er zijn nog
andere mensen aan wie ik les kan geven”, zei hij terwijl hij opstond. Hij liep om de tafel heen en hurkte
neer naast Selina en nam haar hand vast. “Liefje, geloof me, dit is voor de goede zaak. Er zal een grote
staat gemaakt worden en de economie zal verbeteren. Heb je de toespraken van Bismarck nog niet
gelezen?” Johannes wees naar het stapeltje kranten. “Het zal beter worden, voor ons allemaal”,
antwoordde hij. Selina stopte met snikken en keek Johannes aan in zijn diepbruine ogen. “Als, als jij
het zegt, mijn lieve Johannes. Het spijt me dat ik weer aan het wenen ben. Ik ben onzeker over de
machtswissel. Wie weet waar die Pruisen ons in meesleuren.”
Later die dag las Johannes de rest van de krant. Er waren al meerdere zaken duidelijk geworden over
de bedoeling en samenstelling van de nieuwe Noord-Duitse Bond. Zo zou er over een jaar een nieuwe
grondwet worden aangenomen. Hij betreurde het echter dat de Zuid-Duitse staten sceptisch bleven
ten opzichte van Pruisen. Zo slecht zijn ze toch niet? Ja, ze hebben een groot en sterk leger… Maar ze
spreken ook Duits. Herder sprak toch over de Duitse Volksgeist, dus we horen gewoon samen te zijn.
Hij gromde even. Politiek, het is altijd politiek.


8 juli, 1870


“Thomas, zeg je even dag tegen peter Hans? Het is tijd om te gaan slapen.”
Thomas zwaaide nog even naar Hans en ging dan naar zijn moeder. Ze nam hem bij de hand en samen
gingen ze naar zijn slaapkamer. “Wat is hij al groot geworden zeg”, zei Hans. Johannes knikte: “Ja, ik
herinner me nog dat hij enkel hier kon rondkruipen en wat brabbelen. De tijd gaat soms toch snel
voorbij.” Johannes dronk even van zijn glas en sneed daarna een nieuw onderwerp aan: “Wat denk je
over de Noord-Duitse Bond? Het is nu al enkele jaren zo en de Zuid-Duitse staten zijn nog steeds apart.
Willen ze dan niet bij ons horen?” Hans schudde zijn hoofd: “Nee, dat denk ik niet. Als ik hoor wat de
handelaren zeggen, dan zijn ze daar echt tegen Pruisen. Zeker de koningen van Württemberg en
Beieren hebben geen hoge hoed op van Bismarck.” Johannes zuchtte: “Dat vind ik toch jammer.” Hans
lachte: “Ach, we zijn al groot genoeg, niet?” En hij voegde er een knipoogde aan toe.
Er viel even een stilte, totdat Johannes nog een vraag stelde aan Hans: “Trouwens, wat vind jij van de
toespraak van de Franse minister van buitenlandse zaken?” Hans snoof. “Gramont? Dat vond ik zeer
fel verwoord. Ik denk niet dat Bismarck en koning Willem dat leuk gevonden hebben. Het was bijna
een bedreiging. En al dat gedoe, om te bepalen wie dat de volgende Spaanse monarch wordt.” Selina
kwam net de kamer binnen en pikte in: “Ik hoop maar dat ze dit conflict kunnen normaliseren. Ik heb
geen zin in een nieuwe oorlog, ik heb nog schrik van vier jaar geleden, toen de Pruisen de stad
binnenliepen.” Hans knikte.
Johannes antwoordde echter: “Ik zou het niet erg vinden als het tot een conflict komt. Ik zou met trots
het vaderland en mijn familie verdedigen.” Selina haar gezicht betrok, maar Hans begon te lachen: “Jij?
Vechten? Zou je niet beter wat piano spelen, dat kan je tenminste wel goed doen.” En voordat
Johannes kon antwoorden, zei Hans al: “Het was gezellig, beste makker. Maar het wordt al laat en mijn
vrouw wil me graag ook nog eens zien. Tot later!” Hans schudde zijn hand, maar Johannes lette er niet
meer op. Ik kan heus wel vechten hoor!


14 juli, 1870


“Groot nieuws, groot nieuws. Koop hier uw krant!”
De zon scheen tijdens de vroege ochtend. Er was al wat volk op de been, maar de meeste mensen
waren nog in hun huizen. Johannes maakte graag al vroeg een wandeling, terwijl Selina voor Thomas
zorgde en hem naar school bracht. Daarna aten ze meestal samen een ontbijt. Johannes las dan graag
in de krant, dus meestal kocht hij er een tijdens zijn wandeling. “Een krant, graag”, zei hij en hij gaf de
verkoper de nodige muntstukken. Johannes’ mond viel open van verbazing, toen hij de krantenkop op
de hoofdpagina zag.
Johannes kwam binnen met bezwete rug. Het was buiten nog niet zo warm, maar hij had zich gehaast.
Dit moet Selina weten. “Selina, ik ben terug thuis!” riep hij. “Zo vroeg al? Ik ben nog bezig met de tafel
te dekken.” Johannes zag haar verbaasde blik zijn lichaam bestuderen. Hij gaf haar de krant en wees
naar de titel:
WILHELM I WIJST FRANSE GEZANT AF
Johannes viel meteen met de deur in huis: “Koning Wilhelm I heeft de Franse gezant Benedetti
afgewezen. Niet zomaar: beledigend en vrij grof. Ik weet niet waarom, maar het telegram is
gepubliceerd in Duitse kranten en tijdschriften. Dit zal waarschijnlijk dus snel worden opgepikt door
de Franse pers.” Selinas ogen werden groot: “Hoe gaat de Franse keizer hierop reageren, denk je?”
Johannes zag de angst in haar grote ogen en omhelsde haar. Hij kalmeerde haar eerst en wreef zachtjes
over haar rug. Daarna zei hij: “Een belediging van dit kaliber gaat hij niet zomaar voorbij kunnen laten
gaan. Maar maak je geen zorgen: ik zal je wel beschermen als het nodig is.”


19 juli, 1870


“Ik heb slecht nieuws.”
Johannes stopte met piano spelen en keek naar links, waar Selina net de kamer was binnengekomen.
Ze had haar inkopen van de markt nog in haar handen, maar haar gezicht stond strak gespannen en
haar ogen waren wijd opengesperd. Haar borstkas ging snel op en neer. Johannes vroeg haar: “Selina,
wat is er? Is alles oké? Wat heb je gehoord?” Hij zette zich recht van zijn stoel en ging naar haar toe.
Ze zette de boodschappen op de tafel en omhelsde hem. Ze begon te snikken en zei: “Frankrijk heeft
Pruisen en zijn bondgenoten de oorlog verklaard.”
Selina omhelsde Johannes nog wat steviger. Hij antwoordde: “Dan wil ik graag meevechten. Voor jou
en voor ons land. Ik ga me straks als vrijwilliger aanbieden in het leger.” Selina huilde nog meer. Tussen
haar tranen door zei ze hem: “Johannes, doe dat niet. Denk aan mij en Thomas, wil je ons alleen
achterlaten? Wat als er iets met je gebeurt? Oorlog is gevaarlijk, ik wil je niet kwijt. Daarbij, je bent een
pianist, geen soldaat. Je bent mijn lieve man.” Johannes bevrijdde zich uit haar armen en keek Selina
aan in haar gezicht: “Maak je geen zorgen, ik weet wat ik doe. Mijn keuze staat vast.”

2 september, 1870


“Daar is hij, we hebben hem!”
Geschrokken keek Johannes op. Sedan, Noord-Frankrijk. Ze waren hier naartoe gekomen om een deel
van het Franse leger te onderscheppen, dat koers had gezet naar Metz. De Fransen waren in de
minderheid, maar lieten zich niet zomaar verslaan. De kogels vlogen in het rond. Johannes zijn oren
suisden er nog altijd van. Hij vroeg aan de soldaat naast hem wat er gebeurde. Die antwoordde: “Ze
hebben hem gevangen genomen. Napoleon de Derde, de Franse keizer.” Johannes’ gezicht klaarde op
en met een glimlach zei hij: “Dan is de oorlog voorbij? Geweldig! Wat ben ik trots dat we het vaderland
verdedigd hebben!”


22 september, 1870


“Johannes, wil je ook iets te eten hebben?”
Hij schudde zijn hoofd en antwoordde: “Nee bedankt, ik blijf nog even in mijn tent.” De andere soldaat
haalde zijn schouders op en verliet de tent. Johannes haalde uit zijn tas een boekje en pen en zocht
daarna een lege pagina. Hij kribbelde even een melodietje neer dat hij in zijn hoofd had en begon dan
met schrijven:
Lieve Selina,
We zijn nu al enkele dagen in Parijs. Of ja, we omsingelen Parijs. Nadat we het Franse leger en Napoleon
de Derde verslagen hadden, dachten we dat de oorlog voorbij was. In Parijs werd er echter een nieuwe
Republiek afgekondigd, die de strijd wilde verderzetten. Zo doende zijn wij nu Parijs aan het beleggen.
Ik vind het fantastisch om het vaderland te kunnen dienen. Ik heb al enkele andere soldaten ontmoet
uit verschillende steden: Keulen, Dortmund, Hamburg, Kiel, Dresden, … Iedereen is blij dat alle Duitsers
samen vechten. Zelfs de Zuid-Duitse vorstendommen vechten met ons mee. Gisteren ontmoette ik een
Thomas uit Stuttgart. Ik vertelde hem over ons kind dat ook Thomas heet. Ik mis hem en jou heel erg.
De legerleiding verwacht dat we hier nog enkele maanden gaan zijn. Tot die tijd zal ik elke dag aan je
denken.
Hij stopte zijn boekje weg in zijn rugzak en zette zich recht. Tijd om ook nog wat eten te halen, dacht
Johannes. Wat zal Selina trots op me zijn als ik haar mijn dagboek geef.


Epiloog: 22 januari, 1871

Frankfurt. Eindelijk. De koude wind sneed in zijn gezicht. Hij zette de kraag van zijn jas wat hoger e
trok zijn broek nog eens op. Het was al een lange tocht geweest vanuit Parijs, maar nu was hij waar hij
moest zijn. Het Duitse Keizerrijk was nog maar enkele dagen geleden uitgeroepen in het paleis van
Versailles. Hij was graag nog langer gebleven om te vieren met de andere soldaten, maar hij moest
naar Frankfurt gaan. Hij klopte aan bij de deur.
Een vrouw met golvend bruin haar en groene ogen opende de deur. Hij zag haar verbaasde blik en zei:
“Dag, Selina. U kent mij niet, maar ik ken uw man, Johannes. We deelden een tent tijdens de oorlog.
Het spijt me om dit te zeggen, maar”, de man slikte even voor hij verder ging, “Johannes is gesneuveld.
Een verloren kogel, doodzonde. Hij was een fantastisch man en ik ben heel blij om hem gekend te
hebben. Hij had me gevraagd om u dit te geven. Mijn innige deelneming.” Hij overhandigde haar het
dagboek en gaf nog enkele andere bezittingen van Johannes. Toen ze de voorwerpen aannam, zag hij
al de eerste tranen rollen over haar wangen. “U mag trots op hem zijn, hij was een moedig man.”


Epiloog: 10 mei, 1871

“Thomas, let op waar je loopt!”
Maar het was al te laat. Thomas liep een paar meter voor Selina uit, maar hij zag de grote man voor
zich niet en knalde er recht tegen aan. “Excuseer, meneer,” verontschuldigde Selina zich, “hij is soms
nogal onbesuisd.” De man draaide zich even om en glimlachte naar haar: “Geen probleem, mevrouw,”
zei hij, “op deze dag kan er niets meer stuk gaan voor mij.” Selina fronste. “Wat is er dan zo speciaal
vandaag?” vroeg ze. De man lachte. “Weet u dat nog niet? Er is zonet een vredesakkoord getekend
door de Duitse en Franse delegatie. Hier wat verderop, in het Hotel zum Schwan. Ze hebben beslist
dat…”
Selina moest even lachen. Mannen en politiek, dacht ze, gevolgd door een pijnscheut in haar maag. De
man sprak ondertussen verder: “… En het gebied van Elzas-Lotharingen wordt toegevoegd aan het
Duitse Rijk. Daar wonen namelijk ook nog veel Duitssprekenden.” Selina onderbrak hem: “Excuseer
meneer, mag ik u vragen wat uw naam is? Ik woon al lang hier, maar ik heb u nog niet ontmoet.” De
man lachte even en antwoordde: “Excuseer, mijn naam is Frederik. Ik woon eigenlijk in Mainz, maar ik
verblijf momenteel hier omwille van het vredesakkoord.” Selina knikte. “Daarom dat ik u nog niet
gezien had hier. Mijn naam is Selina. En dat daar is Thomas, hij is bijna zes jaar oud.”
Frederik lachte: “En waar is uw echtgenoot? Hij zal vast blij zijn met zo’n mooie vrouw en een lief kind.”
Selina’s gezicht betrok en er rolde een traan van haar gezicht. “Hij is in januari gesneuveld in de oorlog.
Maar komt u anders mee naar ons huis, dan vertel ik het u wel bij een kop thee”,zei ze. Ze riep Thomas
bij zich en samen stapten ze naar haar woning.
EINDE

The following two tabs change content below.

Laatste berichten van Hermes (toon alles)

Hermes
Hermes

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *