Worden we tot een jaloers stelletje conservatieven opgeleid?

Door Kasper Nollet

Afgelopen dinsdag stond de Vlaamse geschiedenisscène even helemaal op haar kop. De aanleiding was een opiniestuk dat Bart Van Loo, auteur van het populaire boek ‘De Bourgondiërs’ schreef als antwoord op de kritiek die onze Leuvense professor Jelle Haemers en Utrechts historica Lisa Demets hadden op zijn boek. Haemers en Demets vonden als beroepshistorici dat Van Loo zijn werk te zeer schreef vanuit een top-down perspectief met een te grote focus op de hertogen, en ze wezen de populaire auteur ook op een gebrek aan historische kritiek op sommige plaatsen. In een opiniestuk in de Standaard getiteld ‘Wat als academici leesbare boeken konden schrijven?’ reageerde Van Loo verontwaardigd. Zijn standpunt kwam in het kort neer op ‘als historici kritiek hebben op mijn werk, waarom schrijven ze zelf dan geen lijvig literair werk?’ Op dinsdagavond werd hij uitgenodigd bij De Afspraak op Canvas om zijn opiniestuk te verdedigen.

De discussie was al een tijdje aan de gang op sociale media zoals twitter, en verschillende prominente historici en auteurs hebben zich reeds in het debat gemengd. In de aflevering was Van Loo echter als enige partij van die discussie uitgenodigd, met enkel presentator Bart Schols, Steven Van Gucht en een beroepsjournaliste met een geschiedkundige achtergrond die deelnamen aan het gesprek. Volgens Van Loo zou de kritiek langs de kant van historici er zijn om hun eigen agenda te promoten, en aldus Van Loo is er een systeemfout aan de universiteit die academische historici ervan weerhoudt om literaire werken te schrijven zoals die van hemzelf. Beroepshistorici zouden ‘gedwongen’ worden om uitsluitend ‘saaie en taaie’ werken te schrijven die niemand leest. Van Gucht, aangesproken als vertegenwoordiger van de academische wereld, voegde daaraan toe dat hij de indruk had dat Geschiedenis een best conservatief vakgebied is. Het was alsof de discussie over het nut van onze richting, zoals we die allemaal kennen van bij familiefeesten, even verplaatst was naar nationale televisie. En net zoals aan de feesttafel waren er vooral mensen aan het woord die weinig kennis van zaken hadden. Er is legitieme kritiek op historici, maar Van Loo haalt zaken door elkaar in zijn persoonlijk betoog.

En net zoals aan de feesttafel waren er vooral mensen aan het woord die weinig kennis van zaken hadden.

Het deed bij ons allemaal pijn de eerste keer toen we fleurige adjectieven en hyperbolen achterwege moesten laten voor onze eerstejaarspaper. Maar dat was dan ook les één van Inleiding tot het Historisch Onderzoek: als je schrijft over het verleden – iets dat al lang gebeurd is en dus niet meer ‘is’ – is voorzichtigheid nu eenmaal aangewezen. Dat is hoe het onderzoek gevoerd moet worden, met respect voor de vuistregels van de wetenschap. Maar wie zegt dat historici dat gevoerde onderzoek achteraf niet toegankelijk naar een breed publiek (kunnen) brengen? Het recente boek van Jelle Haemers, Wijvenwereld, is daar een perfect voorbeeld van. Er is immers ook een vak dat de lezers uit de derde bachelor niet onbekend zal zijn, namelijk publieksgeschiedenis, waarbij studenten worden geactiveerd om publiekshistorische projecten te bedenken. Het mag dan misschien wat meer gebeuren, we worden immers gesponsord door belastinggeld, maar historici moeten geen gigantische populariserende literaire werken schrijven om toch iets interessant op tafel te kunnen leggen. Daarbij is het ook een grote misvatting om te stellen dat historici niet vlot of aantrekkelijk maar enkel taai en saai kunnen schrijven (zelfde voorbeeld: Wijvenwereld).

Natuurlijk zijn de vereisten voor en verdiensten van academisch onderzoek niet dezelfde als die van wetenschapscommunicatie of het schrijven voor een breed publiek in het algemeen. Er is dan ook geen enkele reden om beide categorieën zo diametraal tegen elkaar op te stellen. Ook een populariserend boek kan tussen haar recensies al eens een academische kritiek terugvinden, net zoals academici terecht mogen worden opgeroepen zich bij momenten naar de bredere samenleving te verantwoorden. Zulke kritieken ontstaan steeds in concrete contexten en luiden niet het falen van een discipline.

De wetenschappelijke geschieddiscipline zal altijd verder van het brede publiek staan dan de populariserende geschiedenis. We zijn in de eerste plaats onderzoekers, geen romanschrijvers. De wetenschappelijke geschiedenis bestaat voor een groot deel omwille van de maatschappelijke belangstelling voor geschiedenis, maar de publieksgeschiedenis op haar beurt is schatplichtig aan het onderzoek dat academici leveren. Geen van beide heeft het alleenrecht op de Geschiedenis. Zolang er een constructieve wisselwerking is tussen de twee, waarbij historici de werken van mensen als Van Loo mogen meten aan het wetenschappelijk onderzoek, is er geen probleem. Het probleem is er pas wanneer auteurs ons juist die ruimte niet gunnen. Als wij dan eens onze ivoren toren verlaten, zoals Haemers dat deed met zijn opiniestuk, om vervolgens als jaloers bestempeld te worden, is dat heel jammer. Zoals Wouter Ryksbosch, historicus aan de VUB, het zei op Twitter:

“Neen, historici moeten niet zelf een literaire bestseller schrijven om een achterhaald historisch denkkader te mogen bekritiseren. Ze mogen dat ook doen in een opiniestuk zonder daarom als conservatief of jaloers weggezet te worden. Ook dat is wetenschapscommunicatie.”

Eén ding is duidelijk: we zullen ons op nog veel familiefeesten mogen verantwoorden. Ik hoop daarom dat deze discussie de kloof tussen publieks- en wetenschapsgeschiedenis niet vergroot, maar een aanzet kan zijn voor de beide groepen om elkaar beter te begrijpen en te waarderen.

The following two tabs change content below.

Laatste berichten van Hermes (toon alles)

Hermes
Hermes

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *